De dood van de profeet

De dood van de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salam).

Toen de missie van de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) volbracht was, brak de tijd aan om naar de hemelse woonplaats te vertrekken. Hij werd ziek en zijn gezondheid verminderde met een enorme snelheid.

Op maandag de 29ste Shafar, 11 A.H. ging de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) naar Al-Baqie’, bad voor de overledenen en keerde terug naar het huis van zijn vrouw Maimoenah(radya Allahu ‘anha). De koorts werd heviger en de pijn nam aanzienlijk toe. Maar al dit lijden weerstond de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) met opmerkelijke kalmte en rust en hij leidde toch het gebed in de moskee. Maar hij werd te zwak en zijn ziekte verergerde. Hij zei tegen zijn vrouwen: “Giet zeven zakken water over me uit van verschillende bronnen opdat ik naar buiten kan gaan naar de mannen om hen te waarschuwen.” Zij plaatsten hem in een tobbe die van Hafsa (radya Allahu ‘anha) was en gooiden water over hem totdat hij uitriep: “Genoeg, genoeg.” Daarna hielpen ze hem met aankleden, verbonden zijn hoofd en ‘Ali en ‘Abbas (radya Allahu ‘anhum) ondersteunden hem tot de moskee waar hij op de preekstoel ging zitten en zich tot de mensen richtte. Hij zei: “Er is een dienaar aan wie Allah de keus gaf tussen deze wereld en de wereld die met Hem is en de dienaar heeft de wereld die met Allah is gekozen.” Het was alleen Abu Bakr (radya Allahu ‘anhu) die begreep wat de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam)bedoelde met deze woordkeuze. Hij begon te huilen, omdat hij wist dat de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) naar zichzelf verwees en dat de keus een onvermijdelijke dood betekende. De Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) realiseerde zich dat zijn goede vriend Abu Bakr (radya Allahu ‘anhu) hem begrepen had en hij vroeg hem niet te huilen. Hij zei: “De vrijgevigste man voor mij wat betreft gezelschap en de opoffering van zijn rijkdom is Abu Bakr. Als ik een boezemvriend moest kiezen, zou ik Abu Bakr kiezen, maar gezelschap en broederschap in het geloof zal tussen ons blijven bestaan tot Allah ons verenigt in Zijn aanwezigheid.”

Al-Bukhari vertelt dat op de eerste dagen van Shafar de 11 A.H. de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) naar de graven van de martelaren van Uhud ging en voor hen bad. Daarna ging hij naar de preekstoel en richtte zich tot de mensen: “Ik ga jullie voor en ik ben jullie getuige. Jullie verbond met mij is aan de Fontein die ik vanuit hier kan zien. Aan mij werden de sleutels van de wereldlijke schatten gegeven. Bij Allah, ik vrees niet dat jullie partners naast Allah zullen aanbidden maar ik vrees voor jullie wat deze wereld betreft, daar jullie om wereldlijk voordeel te behalen elkaars hoofd af zouden slaan.”

Het wordt ook verteld dat, toen de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) naar de begraafplaats van al-Baqie’ ging hij om vergiffenis voor de martelaren te bidden, hij zei:“Vrede zij met jullie, O mensen van de graven. Gelukkig zijn jullie daar zoveel beter af dan de mensen die nog leven. Tweedracht is gekomen als de golven van de donkerste nacht, de één na de ander en één is nog erger dan de vorige.”

‘Aisha (radya Allahu ‘anha) vertelt: “Toen de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam)ernstig ziek werd, beval hij de mensen Abu Bakr te zeggen dat hij in de salaatmoest leiden.” Maar ‘Aisha vreesde dat het haar vader veel pijn zou doen om de plaats van de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) in te nemen. Daarom zei ze: “Boodschapper van Allah, Abu Bakr is een hele gevoelige man die geen krachtige stem heeft en veel huilt als hij de Qur’an reciteert.” Daarop antwoordde de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam)“Jij bent zoals de vrouwen die bij Jozef (‘alayhi salaam) waren. Zeg tegen Abu Bakr dat hij de mensen in de salaat moet leiden.”

De Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) lag veel van zijn tijd met zijn hoofd op de borst of de schoot van ‘Aisha. Daar hij bedlegerig was en veel pijn leed, riep hij zijn dochter Fatima(radya Allahu ‘anha) en zei tegen haar dat ze naast hem moest gaan zitten. Daarna sprak hij heimelijk tot haar waarna ze bitter huilde. Toen hij zag dat ze veel verdriet had, fluisterde hij haar een ander geheim toe en deze keer lachte ze. ‘Aisha (radya Allahu ‘anha) vroeg haar over het geheim dat haar liet huilen maar Fatima weigerde het te vertellen, terwijl ze zei: “Ik ben niet van plan het geheim van de Boodschapper van Allah (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) aan het daglicht te brengen.” Toen de Boodschapper van Allah (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) overleden was, zei ‘Aisha tegen haar: “Ik bezweer je bij het recht dat ik op je heb, dat je me vertelt wat de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) tegen je zei.” Zij zei: “Nu kan ik het je wel vertellen. De eerste keer vertelde de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) me dat hij niet beter zou worden van zijn fatale ziekte en daarom huilde ik. De tweede keer zei hij dat ik de eerste van zijn familie zou zijn die zich (in het paradijs) bij hem zou voegen en dat liet me lachen.”

Anas ibn Malik (radya Allahu ‘anhu) vertelt ook: “Toen de ziekte van de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) erger werd, raakte hij bewusteloos en daarop zei Fatima: “O hoe verdrietig mijn vader is.” Daarop zei de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam): “Jouw vader zal na vandaag niet langer verdrietig zijn.”

De toestand van de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) verslechterde. Zijn koorts werd zo hoog dat men zijn lichaam nauwelijks kon aanraken vanwege de brandende hitte. Zijn lichaam deed pijn maar hij was nog steeds bezig de mensen tot rechtschapenheid uit te nodigen. Terwijl hij zich naar zijn vrouwen toedraaide die dichtbij zaten, zei hij: “Oh Fatima mijn dochter en jij Safiyyah, mijn tante, probeer dat te doen wat Allah tevreden stelt, want ik heb werkelijk geen macht bij Hem om jullie op één of andere manier te redden.”

Op de 11e van Rabie’ Al-Awwal waren de koorts en de pijn ietwat afgenomen en er trad een gering herstel op en hij kwam weer een beetje op kracht. De Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) die de oproep tot het gebed hoorde, besloot naar de moskee te gaan. Het gebed was al begonnen toen hij binnentrad en de moslims werden bijna afgeleid door de vreugde de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) te zien. Maar de Boodschapper van Allah (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) gaf een teken dat ze door moesten gaan. Abu Bakr was de oproer achter hem gewaar geworden en hij realiseerde zich dat de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) de moskee moest binnen gekomen zijn. Zonder zijn hoofd te draaien stapte Abu Bakr naar achteren maar de Profeet plaatste zijn hand op zijn schouder en duwde hem zachtjes naar voren als een teken dat hij door moest gaan met het leiden van de moslims in de salaat. Toen hij klaar was, ging de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) op de preekstoel zitten en richtte zich tot zijn toegewijde metgezellen: “Bij Allah ik heb niets wettigs gemaakt wat Allah niet reeds wettig verklaard heeft, noch heb ik iets onwettig verklaard behalve hetgene Allah onwettig verklaard heeft.”

De Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) leek uitgeput, daarom keerde hij terug naar het huis van ‘Aisha vergezeld van twee van zijn metgezellen. In de loop van de dag werd zijn gezondheid steeds zwakker. ‘Aisha die zag dat hij te zwak was, hief zijn hoofd van het kussen op en plaatste het op haar schoot. Ze maakte zijn voorhoofd voortdurend nat met een vochtige doek. De koorts was zeer hoog maar de edele Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) bleef kalm en klaagde nooit. Hij had zich onderworpen aan de wil van Allah en herhaalde de volgende woorden steeds weer, “In het gezelschap van degenen over wie de genade van Allah is.”

Hij (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) voelde dat hij onvermijdelijk naar het einde toeging. Ofschoon hij op de drempel van de dood stond, verloor hij geen enkele keer de moed. Hij ging door met Allah te verzoeken hem te helpen: “O Heer, ik smeek U mij te helpen bij de doodstrijd.”

Op dat moment kwam ‘Abdur-Rahman, de broer van ‘Aisha, de kamer binnen met een groene siwaak (een tandenstokje) in zijn hand, terwijl ‘Aisha de rug van de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) ondersteunde en hij tegen haar borst aanleunde. Toen ze zag dat de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) naar het stokje keek, begreep ze dat hij het wilde hebben. Daarom zei ze tegen hem: “Zal ik het voor je pakken?” Hij knikte van ja. Ze nam het van haar broer, maar het was te hard voor hem om het te gebruiken daarom vroeg ze:“Zal ik het zacht voor je maken?” Hij knikte bevestigend. Ze kauwde er een beetje op om het zacht en buigzaam te maken en gaf het aan de Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam)die zijn tanden er flink mee poetste ondanks zijn zwakke gezondheid.

Zijn kracht was in een korte tijd afgenomen en men hoorde hem zeggen: “O Allah, vergeef me en laat me deelnemen aan het gezelschap daarboven.” Hij mompelde ook: “Ja, zelfs de verhevenste metgezel in het Paradijs.” Daarna zei hij: Salaat, salaat! De personen die aan je zorg werden toevertrouwd.” Dit herhaalde hij enkele malen. Hij begon zijn bewustzijn te verliezen en zijn kracht verminderde. Hij opende zijn ogen wijd en zei duidelijk: “Heer, gezegend is het gezelschap daar boven.” Zijn ledematen verlamden en hij viel op de schoot van ‘Aisha. Zij vestigde haar ogen ongerust op hem en hoopte een antwoord van hem te krijgen maar tot haar grote verdriet zag ze de lichte schijn van een glimlach die lippen van haar echtgenoot verzachtte en die niet meer tot deze wereld behoorde. De Profeet (salla Allahu ‘alayhi wa salaam) was reeds naar het gezelschap van de Ene, hoog boven gegaan. Dat was op maandag 12 Rabie’ Al-Awwal in 11 A.H.

Uit “Biografie van de rechtgeleidenen kaliefen”.